Campus
Historiek
Historiek
In september 2002 hebben de Salvatorianen op het Lo de honderdste verjaardag herdacht van de inwijding van hun klooster. De daaraan verbonden secundaire school, die vandaag bekend staat onder de naam Salvatorcollege - nu omgedoopt tot Wico Campus Salvator -, kon dat jaar terugblikken op een vijfenzeventigjarige geschiedenis. De eerste groep Vlaamse en Nederlandse jongens is immers in mei 1925 aan het college begonnen.
Het was geen college in de betekenis die wij er nu aan geven, maar eigenlijk een juvenaat. Er werden alleen jongens opgenomen, waarvan men dacht dat ze misschien later bij de Salvatorianen zouden intreden. Naar Duits voorbeeld noemde men ze vaak priesterkandidaten. Deze bedoeling lag ook aan de oorsprong van het klooster.
Historiek
Aan de wieg van het Salvatorcollege in 1925
In september 2002 hebben de Salvatorianen op het Lo de honderdste verjaardag herdacht van de inwijding van hun klooster. De daaraan verbonden secundaire school, die vandaag bekend staat onder de naam Salvatorcollege - nu omgedoopt tot Wico Campus Salvator -, kon dat jaar terugblikken op een vijfenzeventigjarige geschiedenis. De eerste groep Vlaamse en Nederlandse jongens is immers in mei 1925 aan het college begonnen. Het was geen college in de betekenis die wij er nu aan geven, maar eigenlijk een juvenaat. Er werden alleen jongens opgenomen, waarvan men dacht dat ze misschien later bij de Salvatorianen zouden intreden. Naar Duits voorbeeld noemde men ze vaak priesterkandidaten. Deze bedoeling lag ook aan de oorsprong van het klooster.
In november 1900 had de stichter van de Salvatorianen, pater Frans Jordan, van monseigneur Victor Joseph Doutreloux, bisschop van Luik, toestemming gekregen om in Hamont een klooster op te richten.
Tot 1967 hoorde de provincie Limburg immers bij het bisdom Luik. De eerste Salvatorianen kwamen op 31 december 1900 naar Hamont en woonden bijna twee jaar lang in een gehuurde woning aan de Budelpoort. Ondertussen bouwden ze op het Lo een klooster met op de benedenverdieping een kapel voor de bewoners van het Lo. De bisschop had immers als voorwaarde gesteld dat de Salvatorianen de pastorale zorg van het Lo op zich zouden nemen. In september 1902 konden ze het gebouw betrekken.
Aanvankelijk probeerde men jongens uit Vlaanderen en Nederland te rekruteren, die priester of broeder wilden worden. Toen dit om verschillende redenen niet wilde lukken, stuurde pater Jordan zogenaamde "late roepingen" uit Duitssprekende landen naar Hamont. Het waren jongens die te oud waren om nog aan een volledige humanioraopleiding te beginnen. Broederkandidaten kregen er naast een religieuze vorming een eenvoudige vakopleiding. De Eerste Wereldoorlog maakte in 1914 hieraan een einde. Alle kandidaten en bijna alle paters en broeders, meestal van Duitse nationaliteit, moesten Hamont verlaten. Tijdens de oorlog en vooral de eerste jaren daarna zag de toekomst van het klooster er niet rooskleurig uit. (Lees meer hierover in een artikel van de auteur Luc Van de Sijpe (red.), "De groote oorlog"(1914-1918), Hamont-Achel 1998, p. 169-172). Sommige Salvatorianen dachten er zelfs aan om het klooster te sluiten en de gebouwen te verkopen. Dank zij het uithoudingsvermogen en de inspanningen van pater Bernardus Raaf (1874-1926) kon het toch blijven bestaan.
In 1924 benoemde het hoofdbestuur van de sociëteit pater Fulgentius Moonen (1880-1952), afkomstig uit Bocholt, tot overste in Hamont. In dat jaar kwam ook pater Lambertus Van Bever (1859-1943), uit het Brabantse Machelen, naar het Lo.
Van Bever was eerst lid van de congregatie van de Broeders van Scheppers en was in 1920 ingetreden bij de Salvatorianen om priester te kunnen worden. Vooral door zijn toedoen werd in mei 1925 het juvenaat heropend voor Vlaamse en Nederlandse jongens. Omdat er voorlopig maar een leraar-opvoeder was en het klooster nauwelijks over financiële middelen beschikte, begon men heel bescheiden. In mei 1925 waren er vijf jongens. De drie besten en eersten van de jongensschool in Hamont hadden zich aangeboden, maar ze konden niet opgenomen worden. Vanaf oktober 1925 waren er al twaalf leerlingen, zes Vlamingen en zes Nederlanders. Bij het begin van het eerste volledige schooljaar in oktober 1925 kreeg pater Lambertus versterking van frater Victorinus Groot (1892-1945), een Nederlander. Maar nog voor het einde van het schooljaar verliet hij het Lo omdat zijn studies voor zijn priesterwijding (in december 1927) af te afmaken. In zijn plaats kwam dan pater Alfons Federspiel (1899-1963), een Duitser. Hij was een van de jongens die voor 1914 in Hamont gestudeerd hadden.
In het juvenaat werden de jongens in alle opzichten streng opgevoed. Ze moesten zich aan een strikte dagorde houden, die nauwelijks afweek van de dagorde van de paters en de broeders. Er was een vastgestelde tijd voor de lessen en de studie, voor de godsdienstige oefeningen en de maaltijden. Er was ook tijd voor ontspanning, spel en lange wandelingen. Daarenboven moesten ze allerlei huishoudelijke karweitjes verrichten en vaak moesten ze hun handen uit de mouwen steken in de tuin of op de boerderij. De kerkelijke en burgerlijke feestdagen zorgden nu en dan voor een beetje afwisseling. Slechts drie keer per jaar, na Kerstmis, na Pasen en tijdens de zomermaanden mochten ze met vakantie naar huis. Ofschoon pater Lambertus Van Bever al vijfenzestig jaar oud was, was hij als opvoeder dag in dag uit van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bij de jongens. Bij de leerlingen van het eerste uur vinden we enkele bekende namen: Theodoor, pater Valentinus, Palmans van Kaulille (overleden in 1997) en Godfried, pater Antonius, Slenders van Hamont. Ook Willem Gielen van het Lo (gepensioneerd schoolhoofd) en Bernard Beenen van Arnhem (overleden in Hamont in 1992) behoorden tot de eerste leerlingen. Naast de al genoemde paters waren er in die periode op het Lo twee broeders. Broeder Majella Rademakers (1865-1942) van Roggel (NL) werkte op de boerderij en in de tuin. Broeder Bertrand Blomenkamp (1906-1970) van Welkenraedt deed vooral het huishoudelijk werk. Begin 1927 kwam hier nog broeder Martinus Janssen (°1904) van Meijel (NL) bij. In augustus 1927 kwamen drie zusters Salvatorianessen naar het Lo. Zij zorgden van dan af voor de keuken, de was en de strijk.
Wegens gebrek aan financiële middelen en bekwame leraars kende het juvenaat een moeilijke en langzame ontwikkeling. Veel jongens gaven hun studies op of verlieten het juvenaat om andere redenen voortijdig. Tussen mei 1925 en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in mei 1940 zijn er op het college ongeveer honderdvijftig jongens begonnen. Dertig onder hen kozen er uiteindelijk voor om Salvatoriaan (pater of broeder) te worden. Een zevental andere jongens gingen vanuit Hamont naar een bisschoppelijk seminarie of naar een andere congregatie. Ook al lijkt dit misschien een matig succes, het was toch het begin van een bloeiende "patersfabriek", waaruit na de jaren zestig het huidige Salvatorcollege gegroeid is.
Dank aan Johan Moris voor dit overzicht.
Tot 1967 hoorde de provincie Limburg immers bij het bisdom Luik. De eerste Salvatorianen kwamen op 31 december 1900 naar Hamont en woonden bijna twee jaar lang in een gehuurde woning aan de Budelpoort. Ondertussen bouwden ze op het Lo een klooster met op de benedenverdieping een kapel voor de bewoners van het Lo. De bisschop had immers als voorwaarde gesteld dat de Salvatorianen de pastorale zorg van het Lo op zich zouden nemen. In september 1902 konden ze het gebouw betrekken.
Aanvankelijk probeerde men jongens uit Vlaanderen en Nederland te rekruteren, die priester of broeder wilden worden. Toen dit om verschillende redenen niet wilde lukken, stuurde pater Jordan zogenaamde "late roepingen" uit Duitssprekende landen naar Hamont. Het waren jongens die te oud waren om nog aan een volledige humanioraopleiding te beginnen. Broederkandidaten kregen er naast een religieuze vorming een eenvoudige vakopleiding. De Eerste Wereldoorlog maakte in 1914 hieraan een einde. Alle kandidaten en bijna alle paters en broeders, meestal van Duitse nationaliteit, moesten Hamont verlaten. Tijdens de oorlog en vooral de eerste jaren daarna zag de toekomst van het klooster er niet rooskleurig uit. (Lees meer hierover in een artikel van de auteur Luc Van de Sijpe (red.), "De groote oorlog"(1914-1918), Hamont-Achel 1998, p. 169-172). Sommige Salvatorianen dachten er zelfs aan om het klooster te sluiten en de gebouwen te verkopen. Dank zij het uithoudingsvermogen en de inspanningen van pater Bernardus Raaf (1874-1926) kon het toch blijven bestaan.
In 1924 benoemde het hoofdbestuur van de sociëteit pater Fulgentius Moonen (1880-1952), afkomstig uit Bocholt, tot overste in Hamont. In dat jaar kwam ook pater Lambertus Van Bever (1859-1943), uit het Brabantse Machelen, naar het Lo.
Van Bever was eerst lid van de congregatie van de Broeders van Scheppers en was in 1920 ingetreden bij de Salvatorianen om priester te kunnen worden. Vooral door zijn toedoen werd in mei 1925 het juvenaat heropend voor Vlaamse en Nederlandse jongens. Omdat er voorlopig maar een leraar-opvoeder was en het klooster nauwelijks over financiële middelen beschikte, begon men heel bescheiden. In mei 1925 waren er vijf jongens. De drie besten en eersten van de jongensschool in Hamont hadden zich aangeboden, maar ze konden niet opgenomen worden. Vanaf oktober 1925 waren er al twaalf leerlingen, zes Vlamingen en zes Nederlanders. Bij het begin van het eerste volledige schooljaar in oktober 1925 kreeg pater Lambertus versterking van frater Victorinus Groot (1892-1945), een Nederlander. Maar nog voor het einde van het schooljaar verliet hij het Lo omdat zijn studies voor zijn priesterwijding (in december 1927) af te afmaken. In zijn plaats kwam dan pater Alfons Federspiel (1899-1963), een Duitser. Hij was een van de jongens die voor 1914 in Hamont gestudeerd hadden. In het juvenaat werden de jongens in alle opzichten streng opgevoed. Ze moesten zich aan een strikte dagorde houden, die nauwelijks afweek van de dagorde van de paters en de broeders. Er was een vastgestelde tijd voor de lessen en de studie, voor de godsdienstige oefeningen en de maaltijden. Er was ook tijd voor ontspanning, spel en lange wandelingen. Daarenboven moesten ze allerlei huishoudelijke karweitjes verrichten en vaak moesten ze hun handen uit de mouwen steken in de tuin of op de boerderij. De kerkelijke en burgerlijke feestdagen zorgden nu en dan voor een beetje afwisseling. Slechts drie keer per jaar, na Kerstmis, na Pasen en tijdens de zomermaanden mochten ze met vakantie naar huis. Ofschoon pater Lambertus Van Bever al vijfenzestig jaar oud was, was hij als opvoeder dag in dag uit van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bij de jongens. Bij de leerlingen van het eerste uur vinden we enkele bekende namen: Theodoor, pater Valentinus, Palmans van Kaulille (overleden in 1997) en Godfried, pater Antonius, Slenders van Hamont. Ook Willem Gielen van het Lo (gepensioneerd schoolhoofd) en Bernard Beenen van Arnhem (overleden in Hamont in 1992) behoorden tot de eerste leerlingen. Naast de al genoemde paters waren er in die periode op het Lo twee broeders. Broeder Majella Rademakers (1865-1942) van Roggel (NL) werkte op de boerderij en in de tuin. Broeder Bertrand Blomenkamp (1906-1970) van Welkenraedt deed vooral het huishoudelijk werk. Begin 1927 kwam hier nog broeder Martinus Janssen (°1904) van Meijel (NL) bij. In augustus 1927 kwamen drie zusters Salvatorianessen naar het Lo. Zij zorgden van dan af voor de keuken, de was en de strijk.
Wegens gebrek aan financiële middelen en bekwame leraars kende het juvenaat een moeilijke en langzame ontwikkeling. Veel jongens gaven hun studies op of verlieten het juvenaat om andere redenen voortijdig. Tussen mei 1925 en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in mei 1940 zijn er op het college ongeveer honderdvijftig jongens begonnen. Dertig onder hen kozen er uiteindelijk voor om Salvatoriaan (pater of broeder) te worden. Een zevental andere jongens gingen vanuit Hamont naar een bisschoppelijk seminarie of naar een andere congregatie. Ook al lijkt dit misschien een matig succes, het was toch het begin van een bloeiende "patersfabriek", waaruit na de jaren zestig het huidige Salvatorcollege gegroeid is.
Dank aan Johan Moris voor dit overzicht.